een Brabantse Amsterdammer

Deel

“Goedemiddag!”, zeg ik ergens in Amsterdam tegen een tegemoetkomer. Hij kijkt verrast op, maar groet hartelijk terug: “U ook!” Vast een mede provinciaal, denkt de cynicus in mij. Opgegroeid in Brabant, leerde ik manieren die op veel plekken in grootstedelijk Amsterdam volkomen misplaatst zijn. Maar op rustige paadjes sla ik mijn slag. Wat blijkt? Zelfs ‘ras’ echte Amsterdammers groeten gretig terug. Groeten maakt gewoon blij. 

Een andere hardnekkige gewoonte is dat ik nog geen snoep-papiertje op straat gooi. Dat hoort niet - zo leerde ik in ons dorp. Die gewoonte blijkt in Amsterdam onbekend of is inmiddels uit de tijd geraakt. Kijk maar naar die mooie bloemenberm bij mij langs het fietspad. Of dat prachtig kronkelende paadje langs het water. Zo liefdevol aangelegd, gefinancierd met gemeenschapsgeld. Maar dan: overal troep! Maaltijdwikkels, felkleurige chipszakken, gescheurde boodschappentassen, kapotte paraplu's.    

Schattig genoeg meende ik vijf jaar geleden dat ik de ‘daders’ kon veranderen. Met andere zeloten mobiliseerde ik buurtgenoten om de wijk schoon te prikken. Die mensen van de bankjes en fietsen zouden dan als vanzelf voelen hoe aangenaam het daar toeven is. Dan zouden ze het voortaan natuurlijk schoonhouden.

De naïviteit! Een paar dagen later ligt de troep er weer. Gelukkig heeft mij laatst iemand uitgelegd hoe dat komt. Het is heus niet zo dat Amsterdammers spullen-incontinent zijn. Het komt door de zwervers. Zij plunderen vuilnisbakken op zoek naar statiegeld, waarna de wind de rotzooi verspreidt. Bovendien laten ze bij bankjes straalbezopen hun rotzooi achter en verzamelen ze een vuilnisbelt aan spullen onder de bosjes waar ze slapen.  

Gewapend met dat inzicht loop ik vanmorgen over de planken van een van de mooiste stukjes Amsterdam bij mij in de buurt. In twee voormalige waterreservoirs zijn twee vijvers aangelegd met loopplanken langs de cirkelranden en veel riet. Een van de vijvers heeft een ondiep gedeelte waarboven sierlijke bijenkasten op poten staan. 

Om bij de loopplanken rondom de vijvers te komen, moet je een stuk afdalen. Bij een van de ingangen is daardoor een klein, overdekt platform ontstaan. Ik vermoed al een tijd dat hier een zwerver overnacht en vandaag wordt mijn vermoeden bevestigd: als ik de planken afdaal, stap ik over een berg troep: opengescheurde zakken en dekens, een half in brand gestoken kussen. Donsveren overal.   

Inwendig foeterend op de laveloosheid van zwervers en verdrietig dat ze zo moeten leven, been ik over de loopplanken. Als ik de hoek omsla naar de tweede vijver, zie ik daar een onverzorgde man zitten. Naast hem drie bierblikken, waarvan een omgevallen. Met zijn benen bungelt hij over de planken en tuurt naar een reiger. We groeten elkaar, kort. Alles in mij wil snel verder: ik ben te laf om het gesprek aan te gaan over de troep. Bovendien heb ik een foto. Ik ga een melding doen: dit kan zo niet langer!

Als ik een paar stappen verder ben, vliegt een tweede reiger op. Ik blijf staan. Het is een mooi beest: sierlijk lang en dun, zoals reigers kunnen zijn, met een kuif. Het dier vliegt op de andere reiger af. Met groot kabaal klapwieken ze tegen elkaar op, waarna de kuif afdruipt. 

“No war please…” sust de onverzorgde man. Zijn stem voelt warm. We kijken elkaar aan. Hij knikt. “Three boys make fire yesterday. I thought they smoke, then… boof! I could just stop it… Will clean the rest later.”

Ik knik terug: “Thank you for that. It’s beautiful here.” 
Hij: “This place is magnificent!” 

Als ik wegloop, verschijnt in mijn geestesoog het leger aan statiegeld-vissers. Iedere dag zie ik nieuwe soldaten: snel, doelgericht, de één met handschoenen aan, de ander met een zaklamp. Een kar. Sommigen flikkeren alles op straat, de meesten zijn juist heel precies. Mensen die liever €0,10 per blikje scoren in de troep, dan dat ze inbreken of iemand beroven. 

Dat alleen zwervers de troep veroorzaken: ik geloof het niet. Ik geloof wèl dat we de energie van dit leger veel beter kunnen aanwenden. Laat elk van hen een straat adopteren. Betaal ze aan het eind van de dag contant uit als de straat schoon is. 

Het geld is er: de pot niet ingewisseld statiegeld. Sinds de invoering in 2021 al meer dan een half miljard. 

Het logo is het ikoon Vogel van kunstenaarsduo Huub en Adelheid Kortekaas