moraal is reigerpoep

moraal is reigerpoep

Vanochtend componeerde ik nog hele toespraken - in mijn hoofd - over heden en toekomst van de mensheid, maar nu loop ik - stijf en stram van chronische heupklachten - door de lanen van een nabij volkstuinenpark in Amsterdam.

"Moraalregels maken ons leger zwak," galmt de Amerikaanse minister van Oorlog in mijn oren na. Wat mijn verstand kan volgen, weerstaat mijn hart en ik zoek naar tegenwoorden, bewijs van het omgekeerde.

Ik loop over mooie paden tussen ontluikend groen en getimmer van hout, palen die in de grond worden geslagen. Een groene specht lacht onzichtbaar tussen de bomen en ik bedenk hoe moraal ontstaan kan zonder God of bovennatuurlijke verschijning, als iets logisch dat het leven dient, direct gunstig voor elk schepsel dat haar regels volgt.

Is het bewijs hier niet rondom, adem ik de prille lente in. Al die mensen die met zo'n tuintje hun eigen hemel scheppen temidden van het steen van de stad en zo voor mij en iedere wandelaar en elk vogeltje of levend groen iets goeds creëren. Een weefsel van zich elkaar versterkend leven.

"De moraal bindt de handen van onze soldaten, terwijl de vijand vrijuit schiet," hoor ik de minister weer. Het is waar, de natuur kènt geen moraal, enkel eten en gegeten worden. Je bent aas of baas, monkel ik na.

Als er geen God is die voor rechter speelt, noch internationaal instituut, wat kun je een dictator dan maken? Hoeveel bruten heeft de mensheid niet gekend, ze deden wat hun laagste lusten wensten, gelijk een wolf in een wei vol schapen?

Ik sla een bocht om naar een mooi prieeltje langs een stuk water. De natuur is pakken wat je pakken kunt. Tot het op is. De moraal weet hoe dit werkt en wisselt de eerste impuls voor een geduldig oogsten.

Net voordat mijn hart en verstand weer op een lijn zitten, zie ik een man spitten bij het water. Energiek, in fleece jas en blauw paarse muts. Priemende ogen.

Ik groet: "Dankuwel meneer, dat u het hier zo mooi houdt." Zijn schouders ontspannen. Ik herken hem van een aanpalende tuin, een van de mooiste van het park met in alle seizoenen kleur, vol ruimte en groen en in het midden van het huisje grote, openstaande ramen waar vaak een schommelstoel staat.

Hij stapt op het pad: "Bramen. Ik steek bramenwortels uit. Stikstof. Straks kom me vrouw bloemen zaaien. In de lente is het hier Monet." Ik beaam dankbaar. Hij knikt naar een eiland in het water: "Grauwe gans. Komt niet meer van d'r nest." In de aarzelende zon zie ik haar zitten. Verderop steekt hoog tussen frisse wilgenbladeren een blauwe reiger.

De man wendt vlug zijn hoofd: "Eksters. Drie. Net commando's. Verdeeld over de bomen. Elk kijkend in een andere richting. Ze slaan samen toe." Hij vertelt hoe ze zijn vogelzaad jatten en levende jonge vogels verslinden. "De mensen knalden ze vroeger af. Dat mocht gewoon. Eksters en mensen gaan niet samen. Hun karakters lijken te veel. Zegt de professor."

Zijn vinger schiet door de lucht: "Heb je hem gezien? IJsvogel! Sinds drie jaar zit hier vis. De larven komen mogelijk via de poep van de reiger!" Mijn aandacht blijkt als zonlicht voor zijn verhalen. Hij barst ervan. Hoe de mensen komen fotograferen, op de bloemen trappen. Hun handdoekje erover uitstrekken. "Moet ik nog leren. Beleefd blijven. Te direct hè." Hij grijnst.

"Ik kan je nog veel meer vertellen!" roept hij na als ik verder loop. Op het pad liggen zachte, harige hulsen. Ik weet niet waarvan. Er kunnen toch nog geen vruchten zijn? Het lijken wel vachten.

Een paar passen en ik zie het: de magnolia bloeit.

Het logo is het ikoon Vogel van kunstenaarsduo Huub en Adelheid Kortekaas