Groeten uit West-Jeruzalem

Natuurlijk liep ik in 2025 mee met de Rode Lijn demonstratie voor hulp aan Palestijnse burgers. Maar nu ik bevriend raak met twee joodse Amsterdammers is mijn gevoel veranderd.

Juni 2025. Schuchter voor grote mensenmassa’s sta ik aan de rand van het Malieveld in Den Haag. Tussen mij en de massa een tapijt aan groen gras, dat langzaam kleiner wordt: de massa groeit. Ik ga op een bankje liggen. 

Zon schijnt door de wolken heen. De lucht ertussen is blauw, helder blauw. Af en toe zweeft een vogel over. Langs mij klinken stemmen op van voorbij komende wandelaars. De stemmen ebben weg. 

Ik zou hier nog uren kunnen liggen, ver van de wereld, in een andere tijd dan die van het nieuws en de mensen. Een tijd die er lang voor die mensen was en nog lang nadien zal blijven. Ik haal diep adem en strek mij uit: hoog de benen en op de grond - kom op jongen, je hoort erbij. 

Schoorvoetend beweeg ik mij naar de buitenste zones van de uitdijende menigte. Velen zijn in het rood, hier en daar zie ik spandoeken. De gezichten zijn zacht, vriendelijk. Er hangt een gloed tussen de samendrommende mensen, geloof in mensenrechten en bereidheid om er iets voor te doen. 

De stoet komt in beweging - ik beweeg mee. Her en der kruist mijn blik die van anderen. Ik voel een aarzelende kameraadschap. Mensen met kinderen. Opa’s, oma’s. Even komen hardere gezichten langs, ze scanderen schelle teksten; lossen op in de menigte. 

Als ik vooruitloop, zie ik geen begin van de stoet. Als ik terugzak geen einde. Zoveel mensen bijeen voor ogenschijnlijk hetzelfde doel. Ik word er warm van.    

Maart 2026. Met een Joodse Amsterdammer (53) loop ik door de grote tentoonstelling Mokum in de Nieuwe Kerk. West-Jeruzalem - dat was de bijnaam van Amsterdam vóór WOII. Maar liefst 10% van de bevolking was Joods. Ik wijs enthousiast op een groot bord met Jiddische woorden die in het Nederlands zijn beland: capsones, mazzel, smoes, afgepeigerd, gein. Hij haalt zijn schouders op. Hij kent ze niet: hij is hier pas sinds 1998. 

Een maand eerder sta ik voor hetzelfde bord met een Joodse Amsterdammer van 86: bij hem verschijnt een warme gloed. Hij woont hier al veel langer. De grappen van Max Tailleur op de radio: hij kent ze nog. Hij proest het uit als hij een mop van Sam en Moos vertelt. Dan, strak: “Weet je hoeveel Joodse Amsterdammers zijn vermoord in de oorlog...?" Hij zwijgt en bestudeert mijn blik. "58.000! En de Nederlanders hebben NIETS gedaan!". Na een tijdje: "Het is nog erger. Toen de paar Joden die de kampen hadden overleefd, naar hun huizen terug wilden, kregen ze die niet terug. Ze waren afgepakt. De enkeling die nog een huis had, kreeg een rekening voor niet betaalde erfpacht!

De 53 jarige Joodse Amsterdammer bij een kop koffie, met een bezorgd gezicht: "Toen ik hier kwam wonen, was ik Yossi. Nu ben ik Israëlier. De enige reden dat ik blijf, zijn mijn kinderen (van een niet Joodse moeder - bd).” Verliefd praat hij over het Amsterdam van eind jaren '90: “De krakers, het alternatieve circuit. De vrijheid om jezelf te zijn.“ Nu ziet hij overal Palestijnse vlaggen en teksten van Hamas. Na een aanslag staan er twee meter hoge hekken rondom scholen. Bewapende marechaussee naast spelende kinderen. Hij verbiedt zijn zoon te vertellen dat zijn vader Joods is: op school zitten veel moslims. In de culturele wereld cancellen progressieven alles wat uit Israël komt, ook als de maker zelf progressief is. "Ik voel me hier niet meer thuis."

Mijn kritiek op Israël is hetzelfde, maar wat moet ik ermee tegenover een man van 86 die van de wijkagent te horen krijgt dat hij voorzichtig moet zijn? Dat hij 's avonds zijn lamellen moet sluiten? Die met pijn en afgrijzen naar het journaal kijkt en in taxi's angstvallig zijn afkomst verzwijgt, "Je weet nooit wie de chauffeur is!"

Yossi leert mij Hebreeuws en van een collega vrijwilliger bij Fietsmaatjes krijg ik wat Arabisch mee. Shalom, salaam: vrede. Amèn, amin: amen. Het zijn broedertalen, allebei Semitisch. Bekijk het DNA van Joden en Arabieren, het is verstrengeld.

Thuis in mijn studio op 14 hoog tuur ik over de horizon. In het schitterende Waarom we vrede willen, maar oorlog voeren lees ik dat wij 99% van onze +- 200.000 jaar geschiedenis geen oorlog voerden. Gevonden botten en grottekeningen vertonen nauwelijks sporen van geweld. Pas sinds een paar duizend jaar slaan we elkaar de koppen in. Door de uitvinding van bezit. Van landbouw. Van territorium. Van bazen. Profeten in vrijwel alle religies grijpen terug op onze oermoraal. Zij prediken gelijkheid, gastvrijheid en delen. Ze doen een appel op onze diepste instincten, die we via de mensenrechten opnieuw formuleren, zonder God.

Lees het nieuws: de bazen domineren de koppen. Tussen de gewone mensen regeert het andere verhaal. Twee weken geleden: de familie van de 86 jarige man stuurt me een foto van hem en de nieuwe wijkverpleegkundige. Twee stralende mensen. Hij met een teder gebaar naar haar ronde gezicht. Zij hartelijk lachend vanonder haar hoofddoek.

Het logo is het ikoon Vogel van kunstenaarsduo Huub en Adelheid Kortekaas